Dialect

Deze voormiddag kocht ik een ‘broewdkèès’ in de Achelse kaasmakerij ‘Catharinadal’. Of heet dat kaasaanbod ‘kèèsbroewd’?  Soit! Zoals gewoonlijk begroette me kaasmaker Peter hartelijk: “Ha,  mèster, hoe is ‘t?” Ik reageerde: “Goewd, mer mèster…?” Hij fleemde: “Ens méster, altiejd méster!” Aan de toog riep iemand: “Mé godver…, des dien van den HAC…! Ich lees ow stukskes altiejd. Koddig!” “Blieven doen!” Dacht ik…

Dat ego-aaien bracht me terug naar mijn middelbare schooltijd, naar mijn klassieke lessen oud Grieks, nu klinkend als: ‘Mattajoteis mattajatoon, ta panta mattajoteis…’ Of zoiets, in het Nederlands: ‘IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!’ De klant aan de toonbank meende: “Dê Hamutter is wèl nè hennig te lèzen, mer ’t wint dor den duur. En ’t is toch zoe maals!” Ik reageerde dat dat ‘plat’ schrijven aanvankelijk ook niet automatisch uit mijn stylo vloeide. Trouwens, ik ben niet bedreven in fonetisch schrift; voor oningewijden is het zelfs niet te lezen. Ik probeer in mijn dialogen gesproken taal zoveel mogelijk auditief, op gehoor dus, in geschreven vorm weer te geven. Telande staan wij, Limburgers, bekend tot hilarisch berucht voor ons zangerige, gezapige tongval. In Hamont doen we daar nog een schep(je) bovenop. Vaak verlengen we korte klinkers. De voedingsbodem voor het sarcasme dat alle honden in Hamont ‘teckels’ zijn! Waarom dan wel? In Hamont is een hond: ‘nun hooooooond’…

Jarenlang speelde de Hamonter toneelgroep ‘De Barden’ op verschillende Noord-Limburgse podia en in de gevangenissen van Hasselt en Tongeren. Bij mijn eerste opdracht als regisseur kozen we voor de komedie ‘Heerlijk huisje buiten’. Die keuze plaatste me wel voor een dilemma. Er draafde in de klucht een eeneiige tweeling op: Willem-Jan, als boerenzoon en Jan-Willem, als student-archeoloog. Ze onderscheidden zich in hun taalgebruik: Willem-Jan sprak in het Hamonter dialect, Jan-Willem in het AN. Stefan speelde die éne dubbelrol fantastisch! Zo natuurlijk, zo sappig dat we in volgende stukken meerdere rollen ‘vertaalden’ naar ons eigen plaatselijke dialect of naar een vreemdtalige tongval. 

Trouwens, televisiezenders geven programma’s in het Antwerps, in het West-Vlaams. Zelden of nooit echter in een Limburgse streektaal. Jammer! Zeker zouden zulke uitzendingen in het Hamonter dialect tot algemene verstaanbaarheid ondertiteld mogen, moeten worden. Enkele voorbeelden: zeult (kipkap), mulder (meikever), geilewiewaaw (wielewaal), moe(r)zeiken (mieren), piepkebergen (verstoppertje spelen), knoewt (gierigaard), suur / suren (schommel / schommelen), kwansel (voorhuwelijksfeest), errepel (aardappelen) enz… Om nog maar te zwijgen van: we hawwen wa we wowwen / we wowwen wa we hawwen (we hadden wat we wilden / we wilden wat we hadden)… 

Vul zelf maar aan; zal zeker lukken… Succes!  

(Harrie Beks – Hamont, zondag 03.03.24)