Vestimentair verdriet

Ieder jaar opnieuw brengt de beginnende lente een aantal extra’s in het leven. Een kentering in licht en donker, een wijzigend tijdsbesef, een bijstelling op horloges en klokken allerhande, een aanpassing aan het weer. Zelfs met het ontluiken van de natuur poliert mijn humeur bij ieder blaadje van de almanak…

Menselijke verpakkingen passen zich automatisch aan. Winterjassen worden in garderobes opgeborgen, anti-mot. Lange broeken verkorten. Pyjama’s  veranderen drastisch van vorm en lengte, kortere pijpen, kortere mouwen, van dikte. Mensen wijzigen hun kledij, ook hun onder- en beddengoed (hun onderlijfjes en -broeken, thermisch of niet, maar ook hun lakens en dekens, hun dekbedovertrekken) lentegewijs. Van flanel naar katoen en visa versa, afhankelijk van het jaargetijdeweer…

Tot ver in de vorige eeuw liepen de mensen slechts af en toe in hun beste, ’s zondagse, kleren.

“Des juust, op hun poasbèèst,” wist Swa. Het lijkt wel of wij, het gewone, gemene voetvolk, vandaag en hier te lande altijd in onze beste, afgeborstelde kleren rondlopen. Als kind, halfweg de vorige eeuw, en als tiener, had ik een hekel aan kleren kopen. Immers, nooit stond mijn lengte in ideale verhouding tot mijn omvang. Om nog maar te zwijgen van mijn BMI nu! Midden uit de jaren vijftig (1950) herinner ik me nog de aankoop van misschien wel mijn eerste lange broek. ‘Os ma’ vergezelde, sleurde me mee naar de kledij- annex stoffenwinkel van ‘Jentje en gezusters Lamers’, neef en nichten van os ma. Hun confectie(?)zaak bevond zich in de Hoogstraat, toen een ‘voorname’ zijstraat van de ‘Stad’,met een monumentale dekenij, een authentieke dokterswoning met kabinet, het postkantoor, de gildezaaltjes en de drogisterij van ‘noonke Christ en taante Anna (madame-CVP mê hur zuuthout en hurre goeie road’). ‘Harriët Lamers’ paste me een broek aan. Een pofbroek! In schaamde me al bij het passen van dat oubollig model uit de oorlogsjaren. Twee strakke rekbanden net onder of boven de knie poften de twee broekspijpen op. Er belandden destijds wel meer antieke solden vanop hun winkeltoog op onze keukentafel. ‘Harriët’ stimuleerde nog meer mijn frustaties: “Wa stut ’t menneke toch schwon mê die nèj broen boks. Die ruutjes zitten h’m wie gegoten!” Os ma knikte en betaalde. Ik, bang om bespot te worden, schaamde me dood voor dat enge museumstuk op mijn onderlijf. En ‘piekten dè die boks dui’

Heb of had of zal ik ook zo’n hekel hebben aan: luiers, kruippakjes, (stof)jassen, kostuums, communiepakjes, trouwkleren, lijkwade, enz.? “Kleren maken de man,” wordt gezegd. “En gèn klier de vrow,” vulde Swa aan. Ik zag hem denken aan badpakken, bikini’s, monokini’s, reetveters, sinekini’s. Van vestimentair verdr…, euh…, verlies gesproken…

(Harrie Beks – Hamont, zondag 28.04.2024)