Het kleine busje

Toen ik van de week mijn twee honden uitliet op een morgen, het was ongeveer half 9 en al best warm, hoorde ik mijn hond Dimo een kort blafje geven. Een verschrikt blafje. Op het eind van het pad ligt een tennisbaan die bij het dorp hoort in het kader van dat alle dorpen in Frankrijk een gratis tennisbaan hebben. Die ligt daar dus in de tamelijke wildernis aan het eind van het pad. Er staat daar ook een boom. In de schaduw van die boom stond een auto en naast die auto, ook in de schaduw, zat een vrouw op een laag stoeltje met een laptop op schoot te typen. Dat is daar op die plek nog nooit vertoond bij mijn weten dus mijn hond gaf een blafje van schrik. De vrouw schrok ook maar toen ze zag dat er een mens, ik, bij de honden was en de honden gewoon doorliepen knikte ze naar me. Ik lachte terug en riep bonjour. Toen liep ik door. Ze had een Berlingo-achtige auto die helemaal volgeladen was met spullen, dekens, slaapzakken, stoeltje, tassen kussens, kortom, ze kampeerde in die auto. De achterstoelen waren eruit gehaald. Ik keek naar het nummerbord: eindigend op 22, dat het departements-nummer weergeeft in Frankrijk. Later heb ik het opgezocht, 22 is departement Cote d’Armor, dat ligt aan de noordkust van Bretagne, nogal ver weg van de Ardèche. Ondertussen dat ik mijn rondje liep dacht ik, goh, zo’n vrouw alleen, ik zou haar best iets aan kunnen bieden. Terwijl ik aan mijn lus terug begon en haar weer tegenkwam bij het begin van het pad sprak ik haar aan en zei in het Frans: ‘Wilt u misschien iets drinken of uw laptop opladen bij mij, ik woon hier een paar honderd meter verder aan het eind van het pad aan de linkerkant, er staat maar één huis en u bent welkom.’ Ik knikte haar toe en ze lachte terug. Maar wat ik eigenlijk niet verwachtte gebeurde toch: een kleine twee uurtjes later stond ze ineens op het erf bij mij. Ik was binnen en zou haar niet opgemerkt hebben, maar de honden blaften even waardoor ik naar buiten liep. Ze was te voet en droeg haar laptopje in een tas bij zich. Toen ik haar naar boven noodde, liepen de honden vriendelijk kwispelend op haar toe. ‘Toch een beetje elektriciteit nodig?’ lachte ik. Ze knikte en we gingen samen buiten aan tafel zitten. Ze haalde een snoer tevoorschijn en ik stak het in het buitencontact. Ik bood haar koffie aan of iets fris en ze wilde graag een glaasje water. Ze vertelde intussen dat ze een tocht maakte langs al haar oude kennissen, verspreid over het hele land en over ieder een hoofdstuk maakte voor het boek dat ze aan het schrijven was. In ons dorp, St. Andéol-de-Berg woonde Jean-Pierre Grange, een studiegenoot van haar tijd aan de Sorbonne. Ik kende Jean-Pierre wel, hij was schepen, adjoint in de gemeente en had me een keer geholpen toen mijn telefoon en internetverbinding weer eens plat waren gevallen. Een vriendelijke, aardige man. Maar hij was helaas niet thuis, zei ze. (Wat een saai verhaal eigenlijk hè) Maar nu komt het, ze vertelde dat ze niet lang meer te leven had en dit boek na wilde laten aan en over haar dierbaren. Daar schrok ik best wel van. Ze zei dat het boek 10 hoofdstukken ging beslaan. 6 mannen en 4 vrouwen, allemaal goede vrienden. Intussen was het rosé-uur aangebroken en ik vroeg of ze niet een glaasje wilde, want ik dacht bij mezelf als ze toch dood gaat, maakt dat glaasje ook niks meer uit. Ze wilde graag. Ze zag er trouwens helemaal niet verkeerd uit, ik schatte haar een jaar of zestig, met een vriendelijk, gebruind gezicht met lachrimpeltjes en mooi dik lang bruin haar met een beetje grijs erdoor. Ze heette Rosalie. We praatten over haar leven, dat wil zeggen, zij praatte en ik keek begrijpend hoewel ik niet alles verstond. Even later vroeg ze of ze van mijn wc gebruik kon maken. Natuurlijk, zei ik en wees haar de deur naar de badkamer. Terwijl ze de deur achter zich sloot, zei ik, min of meer gedachteloos in mezelf, ‘natuurlijk vrouwke, schijt er maar eens lustig op los’. Maar kennelijk niet zacht genoeg want even later kwam ze van de wc af en moest vreselijk lachen. Dat hoorde ik, wat je daarnet zei, zei ze in volmaakt Nederlands. Ik ben namelijk Nederlands maar woon al 40 jaar hier in Frankrijk, sinds ik in Parijs studeerde. Haha, zei ik, vond je het niet erg wat ik zei? Nee hoor zei ze, zulke momenten komen wel vaker voor. Om kort te gaan, we hadden samen nog een gezellige middag en twee roseetjes verder nam ze afscheid. Haar laptop was vol, ze ging op zoek naar Jean-Pierre en ondanks haar hersentumor ging ze toch nog een paar mooie laatste maanden tegemoet, zei ze, maar eigenlijk geloofde ik haar niet meer zo heel erg. Een uurtje later zag ik haar kleine busje in de verte de berg oprijden. Hopelijk was Jean-Pierre nu wél thuis.

Reageren? Graag! Dat kan via een mailtje naar Guus.van.Winkel@pandora.be