Prelude
Op vrijdag de 13e mocht ik mijn kapotte gehoorapparaatje bij Beter Horen in Weert op gaan halen. Het zou gemaakt zijn. Een week daarvoor had ik het ingeleverd bij ze. Kapot tot op het bot en het werd gemaakt voor niks. Garantie nog. Mooi zo. Wel zelf ophalen want ze moesten het andere met het nieuwe samen weer bijstellen. Ik had dus de hele week maar de helft gehoord. Niet erg. Er was daar weer eens geen parkeerplaats in Weert want het regende flink en iedereen was met de auto. De week daarvoor had ik nog kunnen parkeren bij twee mooie voordeuren die mij speciaal opvielen langs het trottoir. Nu was er geen plaats. Ik reed de bocht om waarin de winkel van BH lag en probeerde in die straat of er een plaatsje vrij was. Niks dus. Het regende nog steeds. Alleen achter een open hek, particulier parkeerterrein! Was er nog plaats, volop zelfs.
Think out off the box, dacht ik bij mezelf en reed erin, Wel wat asociaal van mij, maar ik hoef toch alleen maar iets op te halen en ben zo weer weg. Dat zo weer weg viel tegen. Er was een zeer langdradige man met rollator en oneindig veel vrije spreektijd voor me, plus nog een andere dame die ook zeer uitputtend dingen moest vragen. Toen was ik aan de beurt. ‘We gaan ze gelijk even bijstellen’, zei het vrouwtje achter de balie. ‘Gaat het lang duren’, vroeg ik, een beetje nerveus toch wel want ik stond er al twintig minuten, ‘want ik sta hier om de hoek geparkeerd bij dat particuliere bedrijf met een hek dat open stond.’ ‘Oei,’ zei het vrouwtje, ‘ja, het gaat toch nog wel een paar minuten duren, zet hem maar even ergens anders.’ ‘Er is nergens plaats,’ zei ik, ‘ik gok het er op.’
Tweede akte
Na tien minuten was ik klaar, liep de hoek om en u begrijpt het al, het hek was dicht. Onbarmhartig dicht, van ijzer en staal en electronisch verzegeld. Ik was de sjaak. Daar stond mijn brave auto, mijn steun en toeverlaat, op twee meter afstand maar even onbereikbaar als tienduizend euro in een nachtkastje. Help, zei ik, verdomme en nog een paar wat creatievere vloeken. Ik ging terug naar de winkel. Het vrouwtje zag me komen. Ze zag mijn gezicht. Het zal toch niet, zei ze tegen me, terwijl ze al weer met de volgende klant bezig was. Jawel, knikte ik dramatisch, ‘potdicht.’ Ze rammelde wat op haar computer. Hier is het telefoonnummer, zei ze. Ik liep naar buiten en belde ze. De tent was dicht. Geen gehoor, gesloten, iedereen naar huis, poort dicht. Ik liep weer naar binnen. ‘Er is niemand meer,’ zei ik. Ze reikte me meteen een gsm nummer aan.
‘Dit is privé,’ zei ze. Efficiënte meid. Ik belde het privénummer. Er werd opgenomen. Ik legde de situatie uit en maakte vooral nederig mijn excuses dat ik zomaar op hun particuliere plaatsje was gaan staan maar omdat het zo regende en ik dacht dat ik zo terug was enz enz. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik ben thuis, ik woon in Swalmen en de baas is ook niet op kantoor, dus, ja, ik zal proberen wat ik kan doen. …ik weet niet of ik de baas kan bereiken ‘ . Vreselijk, wat een ramp. Ik belde aan bij de deur ernaast. Die had niks met het bedrijf te maken maar ik moest toch iéts. Niemand deed open. Ik liep wat rond, aan de andere kant naast het hek was zo mogelijk nog een vreselijker afsluiting. Ik belde maar weer eens aan bij dezelfde, goedaardig uitziende voordeur. Nu deed een vrouw open. Ik legde alles weer uit en wees naar het hek. ‘Ja,’ zei ze,’ ik kan daar niet bij, ik heb geen sleutel maar kijk daar, daar zie je de achterkant van dat huis tegenover het hek en loop om naar de voorkant daarvan, die ligt aan de … singel, een van die huizen heeft ook een sleutel.’
Ik bedankte haar, keek naar het huis en schatte de afstand in. Liep om naar de andere kant en belde aan bij een van de mooie voordeuren van de vorige week. Daarom was me die zo opgevallen. Ik heb een voorspellende geest. Niemand deed open. Ik belde ernaast, bij de iets minder mooie voordeur. Weer niemand. Toen belde ik opnieuw bij de mooiste voordeur. Ik was intussen zeiknat. Opeens werd er opengedaan. Ik deed mijn verhaal weer. Ik was intussen een heel zielig natgeregend, vrouwtje geworden met twee vochtige gehoorapparaten, en zielige natte haren, (paraplu lag in auto).
Finale
‘Ja,’ zei ze, ‘ik weet hoe het zit, ik heb een sleutel’, en ze liet haar telefoon zien, waarmee ze kennelijk de poort kon openen, ‘maar die zaak daar, die jongens zijn zo streng, en die zijn echt hartstikke link op mensen die daar parkeren, zelfs ik mag er niet staan met mijn auto. En hij heeft een camera. Hij zit misschien nog boven op kantoor. ‘Goh,’ zei ik vol afschuw en ontzet. ‘Ik zal de poort opendoen, zei ze. ‘Maar als hij dan opeens weer dicht gaat,’ zei ik, ‘wat dan?’ Ze knikte geruststellend: ‘Loop maar weer om, ik ga nu naar boven en dan kan ik van daaruit zien of je bij de poort staat. Zo gauw je er staat, doe ik de poort open en kun jij weg.’ ‘Ik zal razendsnel zijn,’ zei ik nog. ‘ Loop maar,’ zei ze, ‘ik wacht tot je er bent.’ Ze hield haar telefoon in haar hand. Ik bedankte haar hartelijk en opgelucht. Het ging gebeuren, ik kon naar huis! O mijn god, dacht ik bij mezelf, dat doe ik nooit meer zo maar ergens parkeren op een vrijdagmiddag. Mensen zijn dan altijd heel bloeddorstig. Vlak voor het weekend. Ik liep om. Ik was bij het hek. Ik zwaaide. Het hek ging open. Ik stapte als een haas in mijn auto en kon van de zenuwen niet draaien. Na een paar minuten lukte het. Ik reed door het hek, zwaaide onduidelijk naar boven. Ik was vrij! Dat doe ik dus nooit meer, nooit meer.
Out of the kutbox denken.
Reageren? Graag!
Dat kan via mail: guus.van.winkel@telenet.be
