O wat fijn om weer in Hamont te zijn. Het was goed in Frankrijk, maar o, wat heb ik het heet gehad. Vanaf 14 juni heb ik doorlopend, dag en nacht het klamme zweet op mijn aanschijn gehad. Een enkele keer ging ik ’s morgens om vijf uur buiten op het balkon zitten en dan had ik het eventjes koud. Wat heerlijk, wat een luxe. De laatste dag gingen we met z’n allen, zes man, drie jongens, mijn kleinzonen, de ouders van de jongste twee, en ik, oma, voor de laatste keer naar ons favoriete restaurant in Valvignères. We zaten dus met ons zessen in de auto. Eentje moet dan altijd achterin de hondenbak. Soms werd erom geloot. Op de terugweg rijdt altijd een van de non-alcoholische zoons. Meestal ligt oma dan in de hondenbak. Veel plaats, maar erg onrustig. Het restaurant heeft een leuk dienstertje dat bij alles wat ze op tafel neerzet HOPPAAEE zegt. Eerlijk gezegd zitten we er allemaal op te wachten. Er is Franse mensen eten voor zeg maar normale mensen, maar er zijn ook hamburgers en pizza’s voor de jongeren. De jongens namen twee pizza’s en een hamburger met frites en ruilden onderling hun eten terwijl ze zorgvuldig erover waakten dat het stuk dat terugkwam van de ruil even groot was als het ingeleverde deel. De ouders namen een agneau met friet, een mooie salade en ik nam zoals altijd kip gonorroe.
Op de terugweg verkoos de kleinzoon die ons terugreed om over de grote weg te gaan en niet het kleine, veel kortere bergweggetje. Dat gaf niks. Het was ongeveer even snel. Maar nu hadden we een tijdje een motorrijder achter ons rijden. Eigenlijk pal achter ons. Toen hij ons eindelijk gepasseerd was, stelde iemand van ons (er zat ongeveer een halve fles wijn in) een vraag. ‘Wat als je moest kiezen, deze man, de motorrijder verongelukt en gaat dood, maar jij kunt dat verhinderen als je zegt: ik doe mijn hele leven mijn favoriete sport niet meer (voetbal, bridge, wielrennen, of iets anders dat je al je hele leven doet), wat kies je dan? Laat je de motorrijder leven of kies je voor jezelf? Poeh, dat was even een vervelende vraag. Sommigen zeiden meteen: de motorrijder moet leven, ik doe mijn sport niet meer, nooit meer. Maar ja, zo wierp een ander tegen, wij kennen die man niet, misschien blijft hij leven en jij kunt je sport niet meer doen en hij rijdt bijvoorbeeld volgend jaar een kind dood of zo. Dat weet je toch niet. Nee, misschien redt hij wel iemand van de verdrinkingsdood en die verdrinkt dus dan omdat jij zo nodig je sport moet doen. We vonden het uiteindelijk een belachelijke vraag. Niet echt belachelijk maar toch. Vreemd genoeg hebben we het er de hele laatste avond thuis nog over gehad. Maar we kwamen er niet uit. Het was natuurlijk zuiver hypothetisch maar ook best wel een test voor je sociale mentaliteit. Dus als je zou zeggen, stik maar, ik blijf sporten, in mijn geval bridgen, die paar jaar dat ik nog leef laat ik me dat niet afpakken door een motorrijder die ik niet ken en de man sterft dus, dan zou ik een moord op mijn geweten hebben. Wat een akelige beslissing. De vragensteller zelf zat in de auto breeduit te grijnzen, blij dat hij het ons op onze laatste dag zo lastig had gemaakt. Zelf zei hij niet wat hij zou doen. Wat zou u doen?
De volgende dag reden we allemaal terug naar huis. Naar België. De twee jongens en hun ouders vertrokken al om kwart over vier ’s morgens want ze wilden in de namiddag thuis Ajax kijken. Ik vertrok met mijn oudste kleinzoon om kwart over acht. Wij hoefden niks te zien. Ik reed, hij zorgde voor de fourage en het luisterboek en we hadden veel plezier om een verhaal van Suzanne Vermeer. De honden waren lief en op een enkele file na ging de reis voorspoedig.
Er waren alleen best veel motorrijders op de weg.
Reageren? Graag! Dat kan via mail: guus.van.winkel@telenet.be
