Keldertrapje 

Ja hoor, de man van de waterleiding stond voor de deur. Tweemaal had hij al een briefje in de bus gedaan met het verzoek de waterstand dan maar digitaal door te geven. Maar digitaal of niet, ik moest daarvoor naar beneden de kelder in en het trapje dat nu al voor de tweede keer gerepareerd was, was weer onveilig geworden. Van mijn schoonzoon mocht ik dat trapje niet af. Maar ja, ‘als de wateropnemer voor de deur staat, de schoonzoon is in een andere straat’, een bekend Nederlands gezegde. Hoe dan ook, ik liet mijn honden buiten, de wateropnemer binnen en waarschuwde hem voor het gammele trapje. ‘O nee, mevrouw,’ zeide hij, ‘wij mogen het trapje niet af als er een onveilige situatie is, dat is ons beleid. Het beleid van het bedrijf.’ Een patstelling dus. Want ik mocht niet van mijn schoonzoon. Toen zei ik: ‘Nou, dan ga ik wel. Neem ik het keukentrapje mee voor de laatste twee treden, want die zijn verrot.’ Ik haalde het keukentrapje uit de koele berging en kwam terug naar de kelder. De man, in de bloei van zijn leven, stond intussen iets in een klapper te krabbelen. Ik, totaal bejaard, stapte onvervaard op het gammele trapje met het keukentrapje in mijn hand. Op de derde trap van boven ongeveer, weet het niet meer heel precies, stortte de hele boel in elkaar, het houten trapje zakte door zijn treden, ik stortte ter aarde op de altijd natte cementvloer en kwam met mijn gezicht boven op het stalen keukentrapje terecht. Ik gilde, had me flink pijn gedaan. Boven me hoorde ik de man iets roepen in het keldergat. Iets Belgisch. Intussen probeerde ik overeind te krabbelen, ik steunde op mijn handen en zag het bloed uit mijn neus op het witte trapje druppelen. Klassiek, dacht ik nog. In films zie je ook altijd meteen het bloed uit de neus komen ook al hebben ze een klap op hun kop gehad. Zo werkt dat dus. Ik voelde dat door de klap allebei mijn gehoorapparaten los uit m’n oren hingen. Niets bleef mij bespaard. Toen ik overeind kwam, hing het trapje nog aan één kant vast. Ik wil hier uit, zei ik. Ik stond recht en kwam met mijn schouders net boven het bovenste gedeelte van de kelder uit. Daar waar pannen en flessen stonden. Ik hijs u wel omhoog, zei de man. Nee, zei ik, geef mijn telefoon, dan bel ik mijn kinderen en die halen me er wel uit. Er stond een langere trap ergens in een hok buiten maar die kon hij niet pakken want hij was bang voor de honden. ‘Wilt u dan eerst even een foto van de watermeter nemen?’ zei hij want tenslotte was dit zijn broodwinning, de waterstanden.  Hij reikte mij mijn telefoon aan, die hadden we op de keukentafel gelegd voor wanneer ik beneden zou zijn. ‘Meneer,’ zei ik, ‘op het aanrecht in de keuken staat een houder met een keukenrol, zou u mij wat af willen scheuren. Ik bloed.’ Nadat ik mijn bloedneus had afgeveegd, begon de man weer over omhoog hijsen. Intussen had ik mijn zoon bereikt die na niet al te lange tijd, die de man doorbracht met in zijn telefoon te mompelen en ik met mijn bloedneus te stelpen en mijn andere wonden te bekijken binnenstapte. Hoe groot leek hij, neerkijkend op zijn gehavende moeder in het donkere keldergat. Een aluminium trapje waarvan ik niet wist dat we het hadden, paste precies en daarop kwam ik voorzichtig naar boven. Het was bijna twaalf uur. Met mijn dochter ging ik ’s middags naar de dokter. Die moest mijn wonden behandelen. Niks gebroken, dus zelf vond ik het niet zo nodig. Het belangrijkste bij de dokter vond ik dat ze me niet schaarde onder de ‘per ongeluk vallende bejaarden’. Maar onder ‘ouderen die bewust het risico nemen, min of meer gedwongen door een nationaal bedrijf, om zich in het ongeluk te storten’.  

Zo, het was fijn mijn dochter bij me te hebben en ze maakte allerlei foto’s van mijn verwondingen en hoe ik dapper bij de dokter op het ligbed met de papieren onderlegger zat. Ik kreeg ook nog een tetanusprik voor mijn bloedende onderarm.  

De volgende dag, dinsdag had ik een knol van een blauw oog. Werkelijk professioneel gedaan. Een grimeur bij een Hollywoodfilm had er niks aan kunnen verbeteren. Tegen iedereen zeg ik dat ik gevochten heb, dat is wat stoerder dan in een Dutrouxkelder vallen.  

Reageren? Graag! Dat kan via een mailtje naar guus.van.winkel@telenet.be