Heel lamlendig liggen mijn twee honden hier binnen op de bank. Ze doen de hele dag niks, ja ze blaffen een keer of wat overdag, hebben ze ergens iets gezien of gehoord buiten en dan ontsteken ze in een razernij, niet normaal meer. Hou op, schreeuw ik dan. Doe normaal, denk eens na! En ik loop naar ze toe en klop ze om beurten allebei met de wijsvinger op hun voorhoofd. “Dén-ken!”zeg ik dan. “De poort is dicht, er is niemand.”
Ze blijven dan gewillig staan, dat wel, maar echt iets productiefs bijdragen aan het huishouden, dat doen ze niet. Koffie zetten, ho maar. Hoewel, de grootste van de twee, de Russische staatshond, weet nu hoe hij de verwarming aan moet zetten. Je zou dat niet denken van een Rus in dat koude land van hun, maar het is bekend dat de Russen stoken met de ramen wagenwijd open. Wat dat betreft verloochent mijn Russische staatshond zijn volksaard niet. Hij kan namelijk de keukendeur open maken en vertrekt dan naar buiten, laat de deur achter zich open staan natuurlijk en ja hoor, binnen de minuut springt de verwarming aan. Goed hè, zeg ik dan als er toevallig bezoek is. Dimo kan de verwarming aanzetten. Nou nog koffie.
Maar ach, wat zit ik hier allemaal over mijn luie maar onmisbare en lieve honden te vertellen: het belangrijkste deze week is, dat vrienden van mij die ik nu 25 jaar ken vanuit Frankrijk, komend weekend 60 jaar getrouwd zijn. Dus u begrijpt: ze zijn oud. Nog niet stok-, maar redelijk oud. Ze wonen inmiddels hier in de buurt, in Eksel, hoewel het geboren Rotterdammers zijn, maar in Nederland wilden ze niet meer wonen. Te Nederlands, te groen, te links of te rechts, ik weet het niet precies, maar Nederland, nee, ze wilden niet terug. Alle oude mensen die ik inmiddels heb meegemaakt in Frankrijk met een huis daar en dat zijn er best veel, bij ons in de buurt, keren wanneer ze oud zijn, allemaal terug naar Nederland. Ja, behalve zij, maar zij gaan in België wonen, dat beschouwen zij als een stuk Nederland. Op een op andere manier is Frankrijk toch niet het land waar men zijn oude dag wil beleven. Ik zeg het maar.
Dus, hèhè, eindelijk nog eens een feest. Ik mag wat nieuws kopen van mezelf. Ik vroeg mijn zusje of ze zin had om met mij mee te gaan om iets nieuws te kopen voor mij en te kijken en te keuren en zelf natuurlijk ook iets te kopen. Ja hoor, ze ging mee. Ik wil denk ik, een nieuwe broek en een ja, het is winter, een trui. Meer keus is er niet voor mij. Ik draag geen jurken of rokken, dus dat hoeft al vast niet. In de winkel betastten we een broek. Dit merk heb ik wel vaker gehad, zei ik, daar zit stiek in de achterwand, dat is fijn. “Stiek is altijd goed,” zei mijn zusje. Stiek is fijn. Je hoeft jezelf dan geen geweld aan te doen. Ik besef nu dat, mochten er mannelijke lezers zijn, dit wel heel vreselijke teksten zijn om te lezen. Mijn excuses daarvoor.
Een normale man haat het om kleren te kopen of met zijn vrouw mee te gaan die kleren gaat kopen. Het is een straf voor hen die zijn weerga niet heeft. Zelfmoord is een goede tweede. Er zou voor mannen die min of meer gedwongen worden om met hun vrouwen mee te gaan iets nieuws kopen, ergens in de winkel een kleine bar moeten staan, waar ze vrijelijk kunnen tappen zolang hun vrouw zoekt en past. “Ja, koop nog maar wat,” roept de man blijmoedig na het derde biertje, “ik sta hier goed. Kijk gerust. Pas ze maar allemaal, we hebben de tijd.”
Jezus, heb ik de middenstand toch weer een goed idee aan de hand gedaan.
Reageren? Graag! Dat kan via een mailtje naar guus.van.winkel@telenet.be

AI-afbeelding